|
Ingmar Heytze is een dichter, schrijver en freelance journalist. Hij is geboren in Utrecht op 16 februari 1970. Hij studeerde Algemene Letteren aan de Universiteit in Utrecht. De meeste boeken van hem zijn gepubliceerd door Uitgeverij Podium. Dit interview concentreert zich voornamelijk op de nieuwste bundel Elders in de wereld en de verzamelbundel Alle Goeds, waarin de drie geprezen bundels Aan de bruid, De allesvrezer en Sta op en wankel zijn bijeengebracht. Hoe zou jij jezelf en jouw werk aan de lezers willen voorstellen? In het onvolprezen literaire tijdschrift Het liegend konijn van Jozef Deleu worden dichters altijd ultrakort voorgesteld. Daar houd ik van, omdat het aangeeft dat het zowel de redactie als de dichters om de gedichten gaat; al het andere is secundair. Om in die stijl te blijven: Ingmar Heytze 1970, Utrecht schrijft ook columns en kort proza Ik zou graag willen ingaan op jouw gedichten. In het prachtige gedicht 'Achter de schutting' las ik: 'en dat je nu pas begrijpt dat wat je doet alleen een poging is om de dingen terug te veranderen naar de tijd dat alles er altijd was, zoals het was toen je nog kind was'. Elk woord in het gedicht lijkt geladen als een pistool, want het is alsof er achter elk woord een duistere wereld bestaat van iemand die moeite heeft met het huidige leven en die wereld zou willen elimineren. Wat zijn eigenlijk de fundamentele zaken die jij nu als volwassene mist in tegenstelling tot de tijd dat je nog kind was? Voor zover ik in mijn persoonlijke leven iets mis, is het eenvoud. Mijn volwassen bestaan komt mij veel chaotischer en complexer voor dan mijn kindertijd. Niet dat ik dat als kind ook zo ervoer - een kind, van welke leeftijd dan ook, heeft immers weer andere problemen dan een volwassene. Bovendien kun je als kind onmogelijk weten hoe het is om volwassen te zijn. De hoofdpersoon van het boek Mr. Vertigo van Paul Auster is een jongetje dat op een gegeven moment verzucht dat volwassenen onbegrijpelijke wezens zijn. Hij belooft zichzelf dat als hij ooit zelf een volwassene wordt, hij een brief naar zijn vroegere zelf zal sturen om uit te leggen hoe ze zo geworden zijn. Ik wil maar zeggen: het is naïef om te denken dat iemands kindertijd per se onbezorgder en gelukkiger is, of zou moeten zijn, dan zijn volwassen leven. Maar het is een feit dat de wereld van een kind, zeker achteraf, kleiner en overzichtelijker is - omdat je tot een bepaalde leeftijd domweg zelden veel verder komt dan een paar huizenblokken en een schoolplein, en groter tegelijk, omdat die wereld nog wel, tenminste in potentie, aan je voeten ligt. Op een bepaalde leeftijd begin je het besef te krijgen dat de wereld erg groot is, en vol met avonturen en geheimen. Dat de wereld ook vol ellende, problemen en onrecht zit, leer je gelukkig pas later. Het is vast ook naïef om te proberen de wereld weer iets eenvoudiger en daardoor misschien iets mooier en beter te maken, maar ik heb een zwak voor mensen die het proberen. In het donkere en confronterende gedicht 'Orgelboek' staat: 'Je zoekt een ingang. Ergens is een onbewaakte brug naar het verleden. Je moet terug. Waar is de tijd en waar de plaats'. Wat betekent het concept 'tijd' voor jou? En voor wat betreft de 'orgel van herinneringen rinkelt' in het gedicht, vraag ik mij af hoe jij aankijkt tegen mensen die in het verleden lijken te leven? Voor zover ik iets weet, weet ik dat we in het nu leven. Het verleden is voorbij, de toekomst is nog niet begonnen, dat wist Boeddha al. Met dat ene, voortdurend verschuivende punt in de tijd zullen we het moeten doen. Teruggaan in de tijd is dan ook een onzalig verlangen. Dat probeert de hoofdpersoon van dit gedicht wellicht ook niet; het lijkt er meer op dat hij alleen terug wil in zijn herinneringen om iets waar hij last van heeft - wellicht heeft hij wel gewoon last van het leven zelf, van de condition humaine in het algemeen - recht te zetten. Het probleem is natuurlijk dat je herinneringen geen keurig geordend archief zijn waarin je zó het juiste mapje kunt vinden; meer een verzameling kringen in het water, die door elkaar heen rimpelen, of een oude stad met stadswallen zoals Utrecht vroeger was, waar je na zonsondergang niet zomaar meer binnenkwam. En dan nog; zelfs als je zo'n smetteloos archief in je hoofd had, zou je dan weten hoe je het moest gebruiken, of zou je er juist gillend gek van worden? In 'Lonely Planet' schrijf je: 'toen de wereld kleiner was en groter tegelijk maar niet zo vol en misschien wel minder eenzaam'. Zou jij jouw gevoel over deze woorden met ons willen delen? De regel is, wat mij betreft (elke andere interpretatie is overigens even welkom wat mij betreft, en misschien wel veel beter dan de mijne) een commentaar op de wereld zoals die is geworden voor Westerlingen: een plek waar je kriskras doorheen kan reizen per vliegtuig, zonder je af te hoeven vragen of iemand er iets aan heeft dat jij met een Lonely Planet door India of Zuid-Amerika gaat sjokken. Een van de inspiratiebronnen voor het gedicht is het hilarische boek Are you experienced? van William Sutcliffe, over de stupiditeit en oppervlakkigheid van een bepaald slag rugzaktoeristen. Uiteraard heb ik geen enkel bezwaar tegen reizen - ik ben dol op reizen, zolang ik zelf maar niet mee hoef - maar wel tegen de allesverslindende industrie die reizen is geworden, en tegen de misvatting dat mensen denken dat ze opeens iets interessants te melden hebben, louter omdat ze een etmaal in een vliegtuig hebben gezeten. Ik ben ervan overtuigd dat het er bij het schrijven niet zozeer om gaat wat je meemaakt, maar om hoe goed je oplet. Over het algemeen suggereert de regel dat de wereld vroeger, voordat het grote verplaatsen begon, misschien wel kleiner was omdat je minder ver kwam en groter om precies diezelfde reden, maar wellicht minder hectisch - en misschien wel minder eenzaam, want als je voortdurend in elkaars buurt bent, krijg je minder snel de kans om je te isoleren. Een dorp is een hechtere gemeenschap dan een stad. Maar nu klinkt het alsof ik een soort pastoraal, idealistisch wereldbeeld aanhang, terwijl ik een overtuigd stadsbewoner ben. Aan de andere kant is Utrecht natuurlijk weinig meer dan een vrij groot dorp met stadsrechten. Uiteraard moet ik stilstaan bij het zeer interessante gedicht 'Blender' waarin je schrijft: 'Allah Jahweh Boeddha Gaya Jezus Elvis Maradona / alles in de blender wrrrrrrrrrrrrrrrrrrr alles in de blender'. Hoe kijk jij aan tegen diepe vereringen van personen en/of bijvoorbeeld religies? Ik wilde soms dat het anders was, maar ik kan weinig gezonds ontdekken in religie. In het beste geval zet het mensen er toe aan om zich beter te gedragen dan ze zonder religie zouden hebben gedaan, maar dan nog begrijp ik niet waarom je die motivatie uit een opperwezen zou moeten halen - en nog wel een opperwezen waarvan het bestaan je hoogstwaarschijnlijk is aangepraat. Voor zover 'Blender' iets te maken heeft met religie, zou dat eerder de staat van Verlichting zijn; een (fictieve?) staat waarin je niets meer boven iets anders stelt, waar je tenminste, geen oordeel meer velt, omdat ieder oordeel in zou gaan tegen je staat van onthechting. Alles in de blender, dus. In het gedicht 'Nocturne' sta je stil bij een opmerking van Groucho Marx. Hij zei: 'buiten de hond is het boek de grootste vriend van de mens'. Door sommige donkere gedichten die ik van jou heb gelezen, vraag ik me af hoe jij kijkt naar het menselijk contact, of de menselijke communicatie en het gedrag, in de wereld van vandaag? Ik ken te veel leuke mensen om me daar grote zorgen over te maken. Ik denk dat ons wereldbeeld hysterischer is geworden door de grotere invloed van media, en dat er in die media veel meer aanjagers van paniek dan rustpunten zijn. Iemand als Maarten van Rossem vind ik daarom van onschatbare waarde; hij relativeert de waan van de dag vanuit zijn kennis en historisch besef, het enige medicijn waarmee je misschien nog iets aan symptoombestrijding kunt doen in de onelinercultuur. Ik moest erg lachen om het gedicht 'Poëtisch spreekuur' en dan vooral van de dichter die al een week in de gootsteenkast woont en weigert onbegrepen dood te gaan. In hoeverre leeft bij jou het verlangen om als dichter begrepen te worden? Dat is natuurlijk een soort dichterlijk clichébeeld: de dichter van mistige rommel die zich een onbegrepen genie waant. Ik heb wel eens geroepen: in mijn begintijd - de tijd dat je als dichter vaak ook maar wat roept, omdat je geen raad weet met de vragen die over je werk worden gesteld - dat mijn gedichten begrijpelijk moesten zijn. Maar eigenlijk vind ik dat helemaal niet. Het is een eigenschap die je achteraf aan mijn werk zou kunnen toekennen, maar ik heb er nooit mijn best voor gedaan om begrijpelijke gedichten te schrijven. Tot nu toe worden ze over het algemeen opgevat als vrij begrijpelijk; maar zowel bij mensen die dat positief waarderen als bij mensen die daar kritiek op hebben, vraag ik me af of ze mijn gedichten werkelijk begrijpen. Ik denk dat mijn gedichten vooral goed zijn in het wekken van de indruk dat ze begrijpelijk zijn - ze zijn wellicht, om het met schilderijen te vergelijken, tamelijk figuratief. In dat opzicht voel ik me verwant aan de schilder Dolf Zwerver, wiens werk ik vaak mag gebruiken voor mijn boekomslagen. Je kunt bij hem ook direct zien wat het schilderij voorstelt, maar dat betekent niet dat je daardoor ook meteen begrijpt waar het over gaat. Ik houd zelf het meest van gedichten waarin je je direct thuis voelt, maar waar je tegelijkertijd over kunt blijven nadenken. Voor mij is het niet essentieel om begrepen te worden, maar ik wil graag proberen om zulke gedichten te schrijven, als plaatsen die je wilt blijven bezoeken, omdat ze je kunnen blijven verrassen. Verwondering is belangrijker dan begrip, omdat uit verwondering de wens voortkomt om ergens meer over te willen weten. Ik hoop dat het me af en toe lukt om die verwondering te kunnen wekken. In 'Meubelboulevard' schrijf je: 'ik wil zoekraken als ik naar de sterren kijk'. Wat zijn jouw ontsnappingen uit de dagelijkse werkelijkheid? Nachtelijke motorritten. Vrijen met mijn meisje. Mezelf het snot voor de ogen trainen in een sportschool. Muziek beluisteren en maken. Concerten bezoeken. Een avondje Magic (een kaartspel) spelen met vrienden. Drank. Wandelen in en rond Utrecht, liefst in de natuur. Gedichten schrijven en lezen. Bepaalde soorten chocola. Lekker koken. Goed eten. De stad uitgaan en naar mijn eigen uitwijkplaatsen gaan, waar ik met rust wordt gelaten. In het sublieme gedicht 'Rise & Shine' staan de volgende regels: 'Weg met de wereld! Kijken hoe het voelt. / Of de zon er voorgoed onder blijft. / Of iets me eindelijk iets doet.' Wat is voor jou normaal gesproken het vertrekpunt van een gedicht? En voor dit gedicht in het bijzonder? Subliem, toe maar! Jullie zijn niet zuinig met complimenten. De aanleiding 'Rise & Shine' weet ik niet meer precies, wel die van het gedicht Meubelboulevard, dat rond dezelfde tijd tot stand kwam. In dat gedicht had ik de eerste regel het eerst; ik zat letterlijk in de IKEA op zo'n ellendig doorgezakt rood klantenservicebankje te wachten tot mijn vriendin iets met een bezorging had geregeld, en ik haatte domweg alles en iedereen daar, mezelf incluis. Toen schreef ik op een stukje papier, met zo'n potloodje, de zin: 'Ik ben bang dat iedereen hier is gemonteerd met zo'n sleuteltje'. Thuis volgde de rest vanzelf. De gedichten die ik niet in opdracht schrijf, hebben meestal wel zo'n soort inval als aanleiding: je bent ergens, hoort iets, leest iets, iemand vertelt je een raar verhaal en er valt je iets te binnen waarvan je meteen weet dat dat het begin van een gedicht zou kunnen zijn. In het pijnlijke gedicht 'Kameleon' is er het gevecht dat geleverd wordt door de persoon om daadwerkelijk uit het zicht van de wereld te verdwijnen. In hoeverre denk jij dat het gevaarlijk is om in deze wereld nog 'een eigen gezicht/identiteit' te hebben? Hoe bekender ik als dichter word, hoe liever ik achteraf had gewild dat ik onder pseudoniem was begonnen - dan is het makkelijker om de illusie in stand te houden dat het niet over jou gaat als je wordt geconfronteerd met de minder leuke kanten van die bekendheid; iemand die je op V.I.P.-spotting zet omdat hij je ergens heeft zien lopen, een anonieme blogger die een andere blogger om je thuisadres vraagt zodat hij een paar Joegoslaven bij je langs kan sturen, een andere blogger die me tot zijn 'vijand' heeft uitgeroepen en andere dingen die me tamelijk hebben verbijsterd. Ik denk overigens niet dat mensen die dat soort dingen doen werkelijk iets tegen mij persoonlijk hebben; over het algemeen kennen ze me helemaal niet, laat staan mijn werk. Ik heb daar weinig verweer tegen, omdat ik mijn eigen naam moeilijk kan objectiveren tot iets waar geen persoon achter zit. Met bekendheid, zelfs het kleine beetje dat ik heb, moet je echt leren omgaan. Roem word je gegeven (en op een zeker moment natuurlijk ook weer afgenomen), maar eigenlijk heb je geen idee wat het inhoudt totdat je het hebt uitgepakt. Ik ben bang dat ik weinig talent voor roem bezit, ook al is het natuurlijk bijzonder verslavend. Het heeft namelijk ook heel veel leuke kanten, zoveel leuke kanten dat ik eigenlijk niet zou mogen zeuren over de keerzijde. Dat gezeur heb ik toch maar omgezet in dit gedicht. In het gedicht 'Mijn vijanden' noem je ook 'de scheldende weblogger zonder talent'. Welke waarde heeft voor jou de externe kritiek op jouw gedichten? Zij het van een weblogger zonder talent of van een literair criticus. Raakt kritiek je nog? Van literaire kritiek heb ik nog geen seconde wakker gelegen: integendeel, daar heb ik veel van geleerd en het maakt niets uit of die van een bekende criticus komt of van iemand die net een weblog is begonnen. Als iemand verstand heeft van poëzie, merk je dat vanzelf in de toon en de aard van de kritiek. De vendetta's die sommige webloggers met de halve wereld beginnen, hebben volgens mij niet zoveel met literaire kritiek te maken, het is meer een manier om de aandacht te vragen. In 'Etser' sta je stil bij de dood. 'De dood is een soort diefstal'. Wat betekent 'de dood' voor jou? De dood? Daar probeer ik maar niet te veel wakker van te liggen. Het gedicht 'Vergeef vergeet' bevat op een gegeven moment de regel: 'Hier zijn de woorden die ik leende terug.' Wat betekenen "woorden" voor jou? De woorden die ik leende zijn voor mij de hele taal, alle woorden die ik ken, maar waarvan ik er nu eenmaal niet één zelf heb bedacht. Al ons bewuste denken is talig denken, en dat doen we allemaal in geleende taal. Dat is wat woorden voor me zijn; het gestolde denken dat we aan elkaar doorgeven. Daarvoor de woorden: 'Omdat ik dacht dat taal een wapen was, een schild, en later: ze is niets'. Leer je als dichter, maar ook als mens, niet dat er door de jaren heen steeds meer woorden zijn die niet meer gebruikt kunnen worden, omdat ze hun betekenis hebben verloren? Ja, maar daardoor hou je uiteindelijk misschien wel de beste woorden over. En we hebben toch niets anders om mee te praten dan onze woorden - we zullen het er mee moeten doen. In 'Hypochonder' het besef dat: 'Steeds vaker daagt het luxe besef dat een mens zijn leven voor zich heeft om het ademen af te leren.' Wat zijn de zaken die mensen zich in het leven - naar jouw mening - nog meer zouden moeten beseffen? Dat we niet buiten elkaar kunnen, of we dat nu leuk vinden of niet. 'Het is eenzaam. Aan deze kant. Van het papier. Het is zo eenzaam hier.' Het zijn regels uit het gedicht 'Vos onder ijs'. Hoe ervaar jij het eigenlijke schrijven? Een dichter dwaalt door een donker huis. Af en toe voelt hij op de tast een raam, dat meestal dichtgetimmerd zit. Dichten is zoiets als morrelen aan dat raam. Als het opeens opengaat, mag hij heel even denken met de snelheid van het licht. In jouw gedichten bemerk ik enorm scherpe observaties over mensen, woorden en falende communicatie. In 'Hart voor steen' de mooie regels: 'en alles ligt weer door elkaar: liefde als je dood bedoelt, lachen door je tranen heen en drinken tot je niets meer voelt - steen voor hart en hart voor steen'. Wat denk je dat de reden is dat de menselijke geest dat met ons doet? Om ervoor te zorgen dat mensen altijd gedichten zullen schrijven. De zinnen 'Ik heb nog bijna niets gevonden / maar ik zoek al lang niet meer' uit het gedicht 'Briefcase Blues' zijn keihard, maar bevatten ook de harde werkelijkheid van velen. Mensen lijken, hoe ouder ze worden, steeds 'kleiner' te gaan dromen totdat dromen niet meer bestaan. Wat is jouw ervaring met mensen die "het leven en/of geluk vinden eigenlijk al opgegeven hebben?" Tot mensen die het hebben opgegeven kan ik me moeilijk verhouden. Ik voel me meer thuis tussen mensen die het vermogen bezitten om gelukkig te zijn, ook al zijn er duizend redenen te bedenken om het niet te zijn, en die gedreven zijn in wat ze doen. In het gedicht 'Adieu' staat de zin 'Ik zeg je: het is mooi geweest, meer kunnen we er niet van maken'. Denk jij dat de absolute liefde ervaren - in het leven - onmogelijk is? Het is zeer zeker mogelijk - ik ken er genoeg voorbeelden van. Om precies te zijn: alle moeders die ik ken laten hun kinderen absolute liefde ervaren, mijn eigen moeder niet uitgezonderd. Over absolute romantische liefde ben ik minder zeker, maar dat komt doordat het niet in mijn aard ligt om hysterisch verliefdheden te koesteren. Ik wil het best, zo'n grote liefde met alles erop en eraan en brekend glaswerk en willen sterven voor elkaar, maar ik gedij veel beter bij de rustige, prettige liefde waar al die hysterie uiteindelijk toch in uitmondt; dat je blij wordt als je een lekker eitje staat te bakken voor je meisje. Wat is voor jou het "ogenblik" wanneer ik denk aan het gedicht 'Eerste wens' waarin je schrijft: 'razen, net zolang tot ik / als een komeet die explodeert / en alles op zijn baan verdelgt / het hemelruim verzwelg / voor één ondeelbaar ogenblik'? Het moment van de dood van de 'ik' in het gedicht. Een 'ik' die blijkbaar graag Dylan Thomas-achtig aan zijn einde wil komen. Het gedicht 'In memoriam' is verpletterend mooi. Heb je dat gedicht wel eens voorgedragen en wat voor reacties krijg je daar op? Dank! Af en toe draag ik hem wel voor, maar ik krijg er niet speciaal bijzondere reacties op. Wel op een gedicht als 'Projectie', http://fanette.blogse.nl/log/gedichten/projectie-ingmar-heytze.html Wil jij met jouw schrijven een boodschap uitdragen? Wat hoop jij te bereiken met jouw gedichten? In eerste instantie dat ik geniet van het schrijven ervan. Robert M. Pirsig (van Zen en de kunst van het motoronderhoud) schrijft ergens in dat boek dat als je handelen kwaliteit heeft, het resultaat dat ook zal hebben. Hetzelfde geldt volgens mij voor genieten; als je plezier had in het maken van een gedicht, denk ik dat de lezer dat ook zal hebben bij het lezen ervan. Ik wil niet beweren dat alleen plezier hebben in het schrijven genoeg is - de wereld is bezaaid met mensen die met ontzettend veel plezier de meest afgrijselijke gedichten, schilderijen en liedjes maken - ,maar voor mij is het wel een belangrijke voorwaarde. Want als ik iets wil, is het gedichten schrijven die mensen graag lezen. Waar moet een gedicht voor jou aan voldoen om te slagen? En waar erger jij je juist aan? Er zijn zoveel manieren van slagen (en falen) in de poëzie, dat het moeilijk is daar in algemene termen iets over te zeggen. Het ideale gedicht bestaat niet. Als ik me zou ergeren aan een gedicht, zou het in elk geval iets teweeg brengen: de meeste poëzie die ik lees laat me koud, wat veel erger is. Maar de vijf tot tien procent die me wel iets doet, raakt me des te meer. Heeft de dichter bepaalde plichten? Grenzen van de taal verleggen bijvoorbeeld? Volgens mij moet de dichter helemaal niets. Ik wil graag een dichter zijn van open gedichten die communiceren met lezers, maar dat zou ik niemand anders willen (of kunnen) opleggen. Gerrit Komrij schreef het voorwoord van jouw verzamelbundel Alle Goeds. Hij zei in een interview met Meander: "...dat de Nederlandse poëzie van de laatste decennia ernstig lijdt onder het probleem van inwisselbaarheid, onpersoonlijkheid en kopieerlust." Herken je de woorden van Komrij? En wat ervaar jij op dit moment als probleem in de Nederlandse literaire wereld? Dat voorwoord dateert alweer uit 2000, 2001 - ik denk dat Gerrit Komrij de eerste zal zijn om te verklaren dat er de afgelopen jaren ontzettend veel goeds met de Nederlandse poëzie is gebeurd. Komrij's eigen initiatieven als Dichter Des Vaderlands hebben daar volgens mij ook aan bijgedragen. Ik denk dat de sombere tendens die hij signaleerde tegenwoordig grotendeels is gekeerd. Natuurlijk wordt er nog wat afgeneuzeld, soms worden er zelfs literaire prijzen voor verstrekt, maar als er iets duidelijk is aan de Nederlandse poëzie van dit moment, is het dat die bijzonder vitaal en veelkleurig is en dat er niet zo makkelijk meer een hoofdstroming kan worden aangewezen; de academische canon is al lang niet meer de hoofdrichting (al is het natuurlijk een van de belangrijkste), maar gewoon één van de vele richtingen, en volgens mij is dat winst. Welke literaire auteurs inspireren je het meest? Zonder een schijn van volledigheid, en volkomen door elkaar: Frank Koenegracht, K. Michel, Wouter Godijn, Herman de Coninck, Rutger Kopland, Toon Tellegen, Erik Menkveld, Van der Graft, Willem Wilmink, Sjoerd Kuyper, Wislawa Szymborska, Miroslav Holub, Mark Strand, Frans Kuipers, Anne Sexton, Maurice Gilliams, Jan Emmens, Alain Teister, Menno Wigman, Martinus Nijhoff, James Fenton, Simon Armitage, Mark Haddon, Luuk Gruwez, Daniil Charms, Bart Moeyaert, Jo Govaerts, Mark Boog, Ruben van Gogh, Alexis de Roode... nou ja, en vele, vele anderen. Vaak zijn het niet zozeer hele oeuvres, maar een aantal gedichten. Zelfs van dichters met wiens werk ik erg weinig heb, kan ik soms een fantastisch gedicht vinden. Bovendien gaat de ontdekkingstocht elke dag verder. Ik zit nu te lezen in Karavanserai van Martijn Benders, en dat is een mooi, sterk debuut, goed gestructureerd en met een behoorlijke dichtheid van geweldige gedichten - je kunt merken dat Benders geen obligate Nederlandse boekenkast bezit, maar ook veel over de grens leest, waardoor zijn eigen gedichten soms lezen als zeer goede vertalingen van Engelse gedichten. Qua proza: Wieringa, Möring, Giphart, Nescio, L.H. Wiener, Elsschot, Bordewijk, Auster, Murakami. Enfin, genoeg namedropping. De zin 'Het leven heeft geen groot gewicht' in het gedicht 'An actor's life' fascineert me. Wat is/betekent het leven voor jou? Het is flauw, maar ik heb geen idee - laten we zeggen dat al mijn gedichten samen het antwoord op die vraag zijn. Wat kunnen we in de toekomst nog van jou verwachten op literair gebied? Momenteel werk ik samen met de kok Jeroen van Nijnatten aan het kookboek De kok en de dichter, dat moet dit najaar, als alles meezit, verschijnen met een stel nieuwe gedichten en vooral veel recepten. Verder hoop ik ooit eens een bloemlezing van mijn 100 favoriete gedichten (Nederlandstalig en vertaald) te mogen samenstellen, 'De honderd van Heytze', maar mijn uitgever weet nog helemaal niet dat ik die ambitie koester (bovendien zijn er al zoveel bloemlezingen; het zou beter zijn als mensen eens wat meer oorspronkelijke dichtbundels zouden kopen). Dit najaar ga ik virtueel op tournee met singer/songwriter Leine, die een avondvullende voorstelling speelt met teksten van mij en liedjes van haar. Deze zomer zijn er al voorproefjes te zien op Lowlands en diverse uitfeesten. Verder zit ik de laatste tijd zelf veel muziek te maken, en te kijken of ik mijn teksten nog meer met muziek zou kunnen integreren (die ik dan wel door meer bekwame muzikanten laat maken, want zelf ben ik een absolute amateur op bas, piano en gitaar). Het zou goed kunnen dat een van mijn volgende grote projecten een muziekalbum wordt, dat de neerslag zou kunnen vormen van jarenlange samenzweringen met muzikanten als Saartje van Camp, Ralph Meulenbroeks en jazzduo Van Vugt & Van Doorn. Hartelijk dank voor het interview en veel succes! Voor meer informatie over Ingmar Heytze: www.ingmarheytze.nl De bundel Elders in de wereld is verschenen in 2008 en gepubliceerd door Uitgeverij Podium. ISBN 978 90 5759 049 8 De verzamelbundel Alle Goeds is door dezelfde uitgeverij gepubliceerd en is voor het eerst verschenen in 2001 en heeft het ISBN 90 5759 234 7. © 2008, Sérgio do Carmo |