![]() |
| 'T WERELDJE |
| DE MONOLOOG | PROFIELSCHETS PERSONAGE |
|
MONOLOGEN SCHRIJVEN “Het schrijven van een monoloog kan ik alleen maar wanneer ik alle woorden tot de mijne heb gemaakt. Het schrijven is het acteren geworden.” - Ischa Meijer - Als kind hoorde ik al to be or not to be, niet wetende dat dit een zin was uit een monoloog in Hamlet van William Shakespeare. Ik ben door de jaren heen als schrijver, theateracteur en theaterbezoeker gefascineerd geraakt door de monoloog. Sommigen beweren dat bij monologen de “mannen zich scheiden van de jongens.” De monoloog, de wereld waarin alleen de “echte” acteur en/of schrijver overeind blijft. Een keiharde bewering waar zeker een kern van waarheid in zit, maar dat valt buiten de doelstelling van dit artikel. Belangrijk punt vooraf. Er zijn verschillende ik-perspectieven te bedenken. De “ik” die zijn eigen verhaal vertelt, de “ik” die een verhaal vertelt van iemand anders die hij kent en een “ik” die een verhaal van horen zeggen vertelt. Ik ga bij dit artikel uit van de “ik” die zijn eigen verhaal vertelt. Wat moeten we weten om een monoloog te schrijven? 1. Personage Een monoloog staat of valt met de creatie van een personage die een lezer kan fascineren. Wanneer ik denk aan de personage in de “Judaskus” van de schrijver Lobo Antunes of aan die in “Novecento” van Baricco dan is het overduidelijk waarom ik deze boeken in één ruk heb uitgelezen. Deze karakters trekken de aandacht. De zoektocht in de krochten van hun geest. Het verhaal dat ons motiveert om mee te gaan. Deze lieden hebben echt iets te vertellen en of wij willen of niet, luisteren doen we uiteindelijk omdat onze aandacht, nieuwsgierigheid en voyeurisme aangewakkerd blijven. Vanaf de eerste woorden beseffen we dat we deze protagonist niet kunnen verlaten voor partner, werk, hobby of enige andere activiteit zonder dat we weten waarom? Hoe? Wat? Wanneer? Waar? Wie? Vanaf de eerste pagina moet de monoloog een constante spanning opwekken, een onrust die als honger moet worden gestild. Een monoloog is een opeenvolging van ontwikkelingen waar we gradueel de personage haar: emoties, levenshouding en gevecht zien, met het vraagstuk of meerdere vraagstukken die haar bezighoudt. Onderaan deze pagina hebben we een checklist genaamd “Profielschets personage” dat u als hulpmiddel kunt gebruiken voor de basis van uw karakter(s). Men mag best de tijd nemen om een personage te creëren. Het klinkt zo logisch. Nadenken over elke bouwsteen die uiteindelijk deze persoon vormt. Toch, als fervent lezer, loop ik vaak genoeg tegen protagonisten aan waarbij ik na zeven pagina’s het zien groeien van mijn teennagels opeens heel interessant vind worden. Waarom? Omdat een personage in een monoloog een reden MOET hebben om zijn mond open te trekken. Spreken is een activiteit. Een actie. Je doet het omdat er een reden voor is! Stel uzelf een aantal vragen: - Wat is de doelstelling van de monoloog? - Wat is de boodschap van de protagonist? - Wat wil dit personage? Gaat hij/zij het krijgen? En hoe? (Zo specifiek mogelijk definiëren.) - Hoe spreekt de protagonist? Algemeen Beschaafd Nederlands? Rotterdamse tongval? Als een gangsta rapper? Op basis van dit antwoord wordt uw monoloog met die stijl/stem geschreven. - Met welke (grote) problemen heeft hij/zij al te maken gehad? Met welk dramatisch conflict worstelt het personage nu? (zie ook document “Profielschets personage”) - Tegen wie praat de protagonist eigenlijk? - Is de door u gekozen protagonist wel een verteller die te vertrouwen is? Dit zal namelijk effect hebben op de manier waarop hij/zij de wereld beschouwt en hoe hij/zij het verhaal vertelt. - Zal de protagonist empathie oproepen? 2. Non-verbale en paraverbale communicatie Waar ik mij soms over verbaas bij schrijvers is dat tekst niet altijd synchroon loopt met de non-verbale (= lichaamshouding, oogcontact, gebarentaal) en paraverbale communicatie (= toon en tempo van de woorden) van de protagonist. Je hebt als schrijver een gedegen kennis nodig van deze materie want het is echt cruciaal. Die variatie zorgt ervoor dat je kunt putten uit, wat een oud-leraar van mij ooit “de rijke salade van emoties” noemde. Het maakt, in synchroniteit met de tekst, voor mij de geloofwaardigheid van een personage compleet. Wat zijn eigenlijk de typische bewegingen van het personage? Wat voor lichamelijke houding(en) neemt het personage aan? Heeft de protagonist maniertjes? Tics? Heeft het personage typische gezichtsexpressies? Legt het personage intonatie in zijn/haar woorden of is het een monotoon sprekende persoon? Wat voor rustmomenten gebruikt het personage in het spreken? Interessante vraag is ook welke emoties u in uw monoloog wilt tonen? Welke wilt u zeker niet tonen? Probeer die bewegingen/houdingen/maniertjes/expressies uit voor een spiegel. Wat hoort er echt bij uw personage? Kennis verkrijgen over deze materie kan op veel manieren. Lees een paar goede boeken over non-verbale en paraverbale communicatie, volg een cursus lichaamstaal/non-verbale communicatie, ga theaterspelen (dus leer kruipen in de huid van personages), lees sociologieboeken over bijvoorbeeld etikettering, stigmatisering en groepsgedrag, doe hetzelfde voor psychologie en denk dan aan boeiende onderwerpen als attitudes, rollen, beïnvloeding, gewaarwording, waarneming, conflict, conditionering en gedrag. Leer ook echt te observeren. Analyseer het denkproces van de mens. U kunt overigens ongelooflijk veel aan mensen aflezen zonder dat ze zelfs een woord met u gewisseld hebben. Ik beweer niet dat u na het lezen van één boek over lichaamstaal en een cursus theater onmiddellijk een expert bent op dat gebied. Wel poog ik aan te geven dat dit een belangrijk aspect is voor goed schrijven. Immers, die gebaren, signalen, barricaden kunnen soms meer zeggen dan de uitgesproken woorden van de protagonist. 3. Setting Welke keuze u ook maakt over waar de monoloog zich afspeelt, besef dat u ook hier bewust moet zijn van non-verbale en paraverbale communicatie! Als u besluit een monoloog te schrijven van iemand die op de Euromast staat of thuis in zijn stoel zit en zijn leven overdenkt, dan zult u toch fysieke keuzes moeten maken tenzij u bewust de protagonist allerlei ernstige fysieke tekortkomingen toebedeelt. Een verlamming van top tot teen bijvoorbeeld. In zo’n geval zal de taal van de ogen of de intonatie die iemand in zijn woorden legt nog crucialer worden. 4. Tegen wie spreekt de protagonist eigenlijk? Niets is ergerlijker dan een monoloog die niet gericht is tot iemand. De schrijver heeft de meest prachtige zinsconstructies geschreven. De setting is fantastisch. De non-verbale en paraverbale communicatie is in symbiose met de tekst. Maar er schort iets... Wat? Bedenk een persoon (of groep mensen) waartegen de protagonist spreekt. Je moet hem/haar kunnen zien. Niet van bordkarton maar van vlees en bloed! Kijk diegene in het gezicht en naar de gedragingen. Voel de reacties. Probeer te begrijpen of je woorden effect hebben. Zo niet, dan is het net als in het echte leven. U zal andere wegen moeten bewandelen om het effect wel te bereiken. U laat zichzelf opeens van uw beste kant zien of als dat niet lukt dan wordt u een duivel, en anders probeert u het wel met... Afijn, dat laat ik aan u over. U bouwt als het ware een andere personage op. Ook voor dit personage geldt dat het belangrijk is om precies te weten wie deze persoon is. Waarom is deze man, vrouw of iets anders naar de protagonist aan het luisteren? Wat is hun relatie? De simpele aanwezigheid van dat andere personage zal voor de protagonist allerlei conflicten betekenen. Zijn plan van aanpak om het probleem te tackelen zal ook hierdoor bepaald worden. 5. Structuur van een monoloog Er zijn niet echt vaste structuren. Ikzelf geef de voorkeur aan de volgende structuur: 1) Presentatie van de protagonist, waar hij zich bevindt, wat zijn vraagstuk/probleem is en dus tegelijkertijd de vaststelling van de situatie waarin hij zich bevindt en de reden waarom hij/zij spreekt. De protagonist kan beginnen met een vraag. Of misschien wel een verklaring. 2) Ontwikkeling. De reis waarin de protagonist taxeert, beseft, onthult en reageert. Hij/zij is onderweg naar de climax waarna het antwoord zal vallen over dat al eerder genoemde vraagstuk. Geef een personage een grote variatie aan gevoelens en gedachten. Tenzij u natuurlijk een hekel heeft aan lezers of publiek. 3) Climax. Hier moet uw verhaal/(lezers)publiek op een punt gebracht worden dat niets anders in het leven nog belangrijker is dan wat er staat te gebeuren. Het hart van het verhaal moet hier 923 slagen per seconde maken. 4) Afronding waarbij duidelijk moet worden hoe de protagonist definitief met zijn probleem zal omgaan. Dat kan bij wijze van spreken in twee zinnen of in twee pagina’s. In tegenstelling tot verhalen met open eindes ben ik van mening dat een monoloog een eindconclusie moet hebben. Hierin zit de oplossing en sluiting van het vraagstuk. 6. Laatste puntjes • Probeer te letten op het veelvuldige (lees: vreselijk) gebruik van “ik dit”, “ik dat”, “ik zus”, “ik zo”, “ik ...” Een pagina met zeventien zinnen waarvan er zestien met “ik” beginnen zal al gefronste wenkbrauwen opleveren, maar honderd pagina’s met 1700 zinnen waarvan er 1600 met “ik” beginnen zal een argeloze lezer tot waanzin brengen. • Schrijf de monoloog niet alleen, maar lees hem hardop, acteer het en vraag iemand om het te filmen. Buiten het feit dat u er veel plezier aan zal beleven (tijdens het filmen) is het ook een perfecte manier om uw monoloog op een andere wijze te beschouwen. Het verhaal leeft en u hoort de tekst en ziet wat er gebeurt tijdens de tekst. Misschien moet u bij bepaalde punten wel overstappen van drie lange zinnen naar een salvo van zestien korte zinnen. Komen emoties/empathie duidelijk uit de verf op de momenten zoals u dat bedacht had? Analyseer tevens of uw monoloog een logische volgorde aanhoudt. • Als u zich daar een beetje voor schaamt dan kunt u misschien een contact aanspreken die theater maakt en het voor u wil “acteren.” Het is in ieder geval zeer leerzaam voor een schrijver. • Oefen, oefen, oefen. Ik wens u heel veel succes! © Sérgio do Carmo Uiterlijke kenmerken Sexe leeftijd Ras Uiterlijke karakteristieken      lengte      gewicht      kleur ogen, haar en huid Voorkomen      netjes, schoon, slordig, vuil      aantrekkelijk - onaantrekkelijk      soort kleding, kleedgewoonten      specifieke lichaamsbewegingen      manier van spreken Omgeving Verleden      geboorteplaats en huis      economische positie van ouders           beroep, salaris, werkomstandigheden      maatschappelijke positie van ouders           plaats in gemeenschap           schoolopleiding van ouders           religie ouders           gezinsleven           verhouding tot familieleden           overheersende levensbeschouwing van ouders           belangrijke waarden voor ouders Heden      economische positie           beroep, salaris, werkomstandigheden houding t.o.v. werk      maatschappelijke positie           plaats in gemeenschap      onderwijsniveau           soort school en voorkeur voor vakken           politieke richting      religie      huidige verhouding tot ouders      burgerlijke staat      gezinsleven      positie als ouder      houding tot kinderen, verwachtingen van kinderen, eisen aan      kinderen      seksueel gedrag en houding t.o.v. seksualiteit vrijetijdsbesteding      lichamelijke en geestelijke ontspanning (hobby's) Karaktereigenschappen Hoofdlijnen      kijk op de wereld      zelfkennis Waarden           wat is het belangrijkst           wat is goed en kwaad      Emotionele reacties           grootste woede, angst, teleurstelling, ondeugden, fouten           frustraties, mislukkingen, ambities, mogelijkheden      Temperament           makkelijk, geen problemen maken, openhartig, edelmoedig           hartelijk/terughoudend, onverschillig, onbezorgd/kinderlijk           ongeduldig, bezorgd (sterk ego/zwak ego)           levendig/traag           overheersend/onderdanig           enthousiast, veel pratend/stil, tobberig           nauwgezet, verantwoordelijk, volhardend/gewetenloos           besluiteloos, onbetrouwbaar           niet bang, moedig/voorzichtig, laf           gevoelig, sentimenteel/ongevoelig, hard           op zichzelf gericht, onafliankelijk/afhankelijk, groepsgericht           cultureel ontwikkeld, elegant/ruw, weerzin oproepend           beschaafd           achterdochtig, behoedzaam/goed van vertrouwen,           makkelijk te bedotten           in zichzelf opgaand, niet concreet/serieus, praktisch           naar buiten gericht           slim/naïef           verlegen, bedrukt/vol zelfvertrouwen           radicaal/behoudend           geen steun van anderen nodig/bevestiging van anderen nodig           eigen grenzen kennen/neemt risico's           onevenwichtig, gespannen/ontspannen, evenwichtig, kalm Deze bijvoeglijke naamwoorden voor de karaktereigenschappen staan in uitersten. Bedenk de hele lijn daartussen. Deze bijvoeglijke naamwoorden mogen ook als zodanig in het scenario geschreven worden. Bedenk bij deze woorden een handeling of een visueel symbool. Auteur van deze lijst is onbekend. Sérgio do Carmo verkreeg hem tijdens een cursus "scenario's schrijven". |