INTERVIEWS
JACK LANCE JUDITH VISSER - DEEL I

JACK LANCE


Jack Lance is een Nederlands schrijver die de laatste jaren meer en meer bekendheid geniet. Niet alleen in Nederland, ook andere landen hebben de boeken van Jack ontdekt en vertalingen naar het Engels zijn lopende. Jack is geboren op 5 januari 1967 in Broekhuizen; een plaatsje in Limburg. Hij schrijft bijna langer dan hij zich kan herinneren en hoopt hier nog lang mee door te gaan.


1. Wie is Jack en wie is Ron?

Jack is auteur van suspense- en horrorverhalen. Hij publiceerde zijn eerste verhaal in 1994. Toen stond zijn naam onder een verhaal, getiteld De Engelensprong, dat verscheen in het blad ParaVisie. Vervolgens bleef het enkele jaren rustig rondom zijn persoon. In 2001 was hij terug, met de verhalenbundel De Engelensprong. Daarna hoorden we weer van hem in 2004 toen hij een verbeterde en uitgebreide versie uitbracht van diezelfde verhalenbundel, hernoemd in Nachtogen. Ook in 2004 verscheen zijn eerste roman, Hellevanger, en een jaar later zag Vuurgeest het levenslicht.

Ron is al wat langer bekend (sinds 1967). Hij schrijft sinds begin jaren 90 voor verschillende tijdschriften artikelen over allerhande onderwerpen, met name het bovennatuurlijke en paranormale. Een selectie van die verhalen is gebundeld in de boeken Ongelooflijk maar waar! en Mysterieus en onverklaarbaar. Ron en Jack samen zijn ook initiatiefnemers van de website www.suspensestory.com en alles wat daarmee samenhangt.


2. Waarom schrijf je onder een pseudoniem?

Ik heb altijd een voorliefde gehad voor boeken en verhalen uit Angelsaksische landen en Amerika. Vandaar dat veel van mijn settings daar te vinden zijn. Daarnaast heb ik er altijd van gedroomd om mijn verhalen te vertalen en zo mogelijk in het buitenland op de markt te brengen, en daarbij past naar mijn mening een Engels klinkend pseudoniem.


3. Welke schrijver heeft je doen schrijven, met welke schrijver wordt je graag vergeleken en met welke schrijver zou je willen worden vergeleken? Of is het antwoord op deze vraag eenduidig?

Het antwoord is inderdaad eenduidig: Stephen King is mijn grote voorbeeld.


4. Als schrijver van horror, wordt je sowieso vergeleken met de monumenten uit het vak. Is dat iets waar je je aan stoort.

Absoluut niet. Waarom zou ik me eraan storen? Wat ik wil is lezers vinden, de rest is bijzaak.


5. Is het een voordeel dat je voor het genre horror minder research moet doen. Of is dit een misvatting?

Hier zullen de meningen over verdeeld zijn. Ik denk dat er genoeg research te plegen is bij horror. Zelf maak ik bijvoorbeeld dankbaar gebruik van de kennis die ik opdoe bij mijn nonfictie werk. Veel verhalen probeer ik aannemelijk te maken door feiten en theorieën uit de paranormale en bovennatuurlijke wereld te gebruiken. Ik schrijf maar zelden over naamloze monsters en vreemde gebeurtenissen zonder dat er een verklaring achter schuilt. Ik denk dat goede horror en suspense juist veel research vergen.


6. In hoeverre laat je trouwens de buitenwereld toe in je boeken? Is alles fictie of toch deels geënt op waarheid?

Heel veel van mijn fictie is gebaseerd op de werkelijkheid. Nauwkeuriger geformuleerd: de werkelijkheid zoals die door sommige mensen ervaren wordt. Ik heb het dan over mensen die paranormale gebeurtenissen hebben meegemaakt.


7. Je geeft uit via je eigen uitgeverij (suspense publishing) en bij ‘Compagny of Books’, is dit een bewuste keuze?

Jazeker. Het startpunt is: je wilt gelezen worden en je wilt een manuscript waaraan je zo lang gewerkt hebt niet in een bureaula laten verstoffen. Omdat het nagenoeg niet voorkomt dat uitgevers zomaar je manuscript publiceren, doe je dat zelf. Daarmee is je werk in de markt en je hoopt dat het in positieve zin opvalt. Dat is redelijk gelukt en om die reden kreeg ‘Company of Books’ interesse in het heruitgeven van mijn boeken. Goed, ze liggen bij het Kruidvat en niet in ‘chique’ boekwinkels, maar de herdruks verschijnen wel in enorme oplagen. Dat is, neem ik aan, weer goed voor de naamsbekendheid en het vinden van meer lezers.


8. Waar hoop je in de toekomst je brood mee te verdienen, je uitgeverij of schrijven? En als je moest kiezen, wat deed je dan?

Ik voel me toch meer schrijver dan uitgever, maar het zou niet verkeerd zijn om beiden te kunnen doen.


9. Zijn de cowboyverhalen over uitgevers waar, of heb je zelf nooit slechte ervaringen met uitgeverijen gehad?

Slechte ervaringen met uitgeverijen? Nee, die heb ik niet. Ik geloof wel dat ik de uitgeverijwereld enigszins kan begrijpen. De uitgever is niet de God die wikt en beschikt over het lot van de schrijver. De uitgever heeft zich aan te passen aan de grillen van de boekhandel. En de boekhandel ten slotte heeft weer te luisteren naar wat de klant wil - jij en iedereen dus. De klant heeft zo zijn voorkeuren. De boekhandel slaat in wat het beste verkoopt. En de uitgever moet leveren waar de boekhandel behoefte aan heeft. Het komt erop neer dat de boekhandel zeer selectief inkoopt. De uitgever moet dus ook heel selectief zijn met wat hij uitgeeft. Hij kan niet zomaar een onbekende auteur lanceren want de kosten daarvan zijn hoog en die kosten moeten terugverdiend worden. Kortom, er is maar plaats voor een beperkt aantal boeken. Daarbij komt dat, dankzij POD-technieken, (nvdr. POD staat voor: printing on demand) de stapel boeken die verschijnt alsmaar hoger wordt en de kansen op succes voor een titel of auteur daarmee lager. Het is moeilijk voor iedereen in de uitgeverijwereld. Iedereen wil succes, maar dat is niet haalbaar. Je kunt in elk geval niet boos worden op een uitgever als die weigert je manuscript uit te geven. Meestal heeft hij er goede redenen voor. In plaats van boos te worden kun je denk ik beter initiatief tonen door zelf je werk op de markt te brengen – of nieuwe markten te vinden – en dan maar hopen dat het gaat lopen. Als het dan niet lukt, heb je in elk geval je best gedaan.


10. Hoe staat het met Jack Lance buiten de taalgrenzen?

Heel spannend. De titel Vuurgeest verschijnt in het Engels onder de naam Phyrophobia. Ik heb een contractvoorstel mogen ontvangen van een literair agent in New York. De bedoeling is dat dit agentschap uitgevershuizen wereldwijd gaat benaderen. We zullen zien wat eruit komt.


11. Wat is het verschil tussen je doelstellingen voor de toekomst en je dromen

Ooit waren mijn dromen dat ik een tweede Stephen King zou kunnen zijn. Nu zou ik heel blij zijn als mijn werk goed wordt opgepakt en een bescheiden cent opbrengt. Als dat lukt is het heel mooi, als het niet lukt heb ik er alles voor gedaan wat ik eraan kon doen. Momenteel ben ik heel trots op de dingen die gerealiseerd zijn. Voor mij is dat in feite hetzelfde als het verwezenlijken van dromen. Ik ben ook heel blij met suspensestory en dat er een clubje mensen is die leuke dingen doen en leuke dingen realiseren. Denk bijvoorbeeld aan Duistere Parels. (nvrd. Duistere Parels is een verzamelbundel met verhalen van beloftevolle Belgische en Nederlandse schrijvers. Jack schreef zelf ook een verhaal voor het boek.)


12. Welke projecten mogen we in de nabije toekomst nog van je verwachten? Hier en daar wordt er trouwens al wat verteld over geplande verfilmingen…

De verfilming gaat door en is een groot project. Het kortverhaal ‘Tikken’ uit ‘Nachtogen’ is uitgekozen om een korte speelfilm van te maken. Die speelfilm wordt ook in het Engels nagesynchroniseerd. Daarbij komt een luisterboek-cd en enthousiastelingen zijn bovendien bezig om een stuk theater te ontwikkelen. Het wordt dus een multimedia project. De bedoeling is dat het dit jaar al klaar is. Het zou niet van de grond zijn gekomen zonder de belangeloze inzet van velen, en het zou ook niet gelukt zijn zonder een behoorlijke eigen financiële donatie. Ook hier geldt: niets zal lukken zonder zelf risico's te nemen. Ik neem die risico's overigens graag. Liever proberen en falen, dan helemaal niet geprobeerd hebben. Daarnaast is Hellevanger II in de pen en nieuwe romans, die wat later verschijnen.


13. Hoe lang schrijf je trouwens over een boek?

Hellevanger heeft me jaren en jaren gekost. Het was een groot leerproces. Daarvan heb ik er zoveel opgestoken dat Vuurgeest in een paar maanden tijd geschreven werd. Ik hoop met toekomstige boeken het tempo van Vuurgeest te kunnen blijven volhouden.


14. Waar zie jij nog een gat in de Nederlandse/ Belgische markt voor aankomende schrijvers?

Een gat in de markt kan denk ik alleen ontstaan als schrijvers zich niet alleen bezighouden met het schrijven van verhalen. Zeker, dat is heel belangrijk en kwaliteit staat voorop. Je moet ernaar streven om een zo goed mogelijk boek te schrijven. Hierbij de kanttekening dat je over smaakverschillen niet kunt twisten. Wat de een goed vindt, vindt de ander slecht. Maar goed, dat terzijde. Waar ik naartoe wil is dat schrijvers ook zouden moeten nadenken over marketing en verkoop en zich commercieel moeten opstellen, willen ze een (nieuw) stukje van de markt veroveren. Dit is niet iets wat een auteur van nature in zich heeft, maar het zou geloof ik niet verkeerd zijn als dat commerciële denken veel meer gaat leven in de rijke fantasie van schrijvers.


Dankjewel Ron, een wijs besluit.
Veel succes in de toekomst!



Bibliografie:

1993 Kinderen van de Duisternis ParaVisie
2001 De Engelensprong Suspensepublishing Jack Lance
2004 De Hellevanger Suspensepublishing Jack Lance
2004 Nachtogen Suspensepublishing Jack Lance
2004 Ongelooflijk maar waar! Suspensepublishing Ron Puyn
2004 Nachtogen (pocket) Suspensepublishing Jack Lance
2005 Heruitgave Nachtogen Company of Books Jack Lance
2005 Heruitgave Hellevanger Company of Books Jack Lance
2005 Vuurgeest Suspensepublishing Jack Lance
2006 Vertaling Vuurgeest (Pyrophobia) Suspensepublishing Jack Lance
2006 Heruitgave Ongelooflijk maar waar! Company of Books Ron Puyn
2006 Mysterieus en onverklaarbaar Company of Books Ron Puyn
2006 Duistere Parels (mei-juni) Suspensepublishing meerdere auteurs


© Benny




JUDITH VISSER - DEEL I


Het begin: hoe een idee een roman werd en de roman een uitgever vond



Daar zit je dan, aan je bureau. Met het complete boek in je hoofd maar nog geen letter op papier. Of op je laptop, in dit geval. Je voelt je een schrijver, je weet dat het je uiteindelijk zal gaan lukken om die geweldige roman te schrijven, maar vooralsnog heb je nog niet eens een begin. Zo verging het althans mij. Ik had het idee voor 'Tegengif' al jaren in mijn hoofd zitten voordat ik uiteindelijk in staat was, en mezelf de tijd gunde, het verhaal in mijn hoofd te vertalen tot zinnen, alinea’s, hoofdstukken. Want hoe maak je die start, dat allereerste begin? Hoe zorg je ervoor dat je de juiste toon vindt, een stijl die dezelfde stem heeft als de complete roman in je hoofd? Hoe zet je een eerste letter neer wanneer je de laatste ook al weet en het een eindeloze opgave lijkt om alles ertussenin op de juiste manier te verwoorden?
Na een aantal mislukte pogingen vanuit de losse pols besloot ik een schema te maken. Een overzicht. Als leidraad voor de roman die ik wilde schrijven. En zo creëerde ik een bouwplan, bestaande uit hoofdstukken. In ieder hoofdstuk kwam in een paar korte zinnen te staan wat er in dat gedeelte van het boek moest gebeuren en hierna ben ik de porties stuk voor stuk gaan uitwerken. Kriskras door elkaar. Het kwam voor dat ik wekenlang bezig was het einde van de roman te schrijven, om daarna ineens inspiratie voor een hoofdstuk in het midden of het begin van het verhaal te krijgen. Maar uiteindelijk begonnen alle fragmenten samen, in de juiste volgorde, een volledige roman te vormen.
Na ongeveer een half jaar had ik de eerste versie van 'Tegengif' af. Hierna zouden er nog twintig volgen.

Versie 1 werd geprint, gelezen en verbeterd. Ik schrapte, schaafde, en voegde toe. Hetzelfde gebeurde met versie twee tot en met twaalf. Toen was ik eindelijk tevreden en besloot ik dat het tijd werd voor mijn eerste meelezer. Dit werd Arie Wezemer van het Woerkums Literair Café en met zijn deskundige feedback schreef ik versie dertien.
Arie, die het verhaal naar eigen zeggen ‘met rode oortjes’ had gelezen, was zo enthousiast over 'Tegengif' dat hij meteen mijn eerste lezing organiseerde. Tijdens een literaire dag op Slot Loevestein zou ik als beginnend schrijfster, temidden van grote namen als Ronald Giphart, Adriaan van Dis en Marion Bloem, voorlezen uit mijn eigen roman. Ik had op dat moment echter nog geen uitgever en Arie besloot om een lokale uitgeverij te vragen de eerste uitgave van 'Tegengif' te verzorgen, zodat de roman als speciale eerste druk kon worden meegegeven aan de bezoekers van het literaire evenement. Van een eerste druk zou een tweede komen, verwachtte hij, en bovendien had ik dan meteen een groot bereik. De uitgeverij zag echter van dit plan af, omdat ze het verhaal (dat over prostitutie gaat) ‘te heftig’ vonden voor hun fonds.
Desondanks ging mijn lezing op Slot Loevestein gewoon door en de reacties op mijn roman, toen nog niet meer dan een manuscript, waren zeer positief. Het was duidelijk wat me te doen stond: ik moest op zoek naar een uitgever.

Omdat ik bekend was met de horrorverhalen over slushpiles en het schrikbarend lage percentage (minder dan 1%) manuscripten dat uit deze stapel een weg naar publicatie vindt, was ik huiverig om 'Tegengif' zomaar op goed geluk op te sturen naar een uitgever. Ik zag voor me hoe ook mijn pakket op de eindeloze berg ongevraagde inzendingen zou terechtkomen, waar het vervolgens na een paar maanden vluchtig bekeken zou worden zonder dat het de aandacht kreeg die het verdiende. En dus besloot ik de grote, commerciële uitgeverijen te mijden en op zoek te gaan naar een kleinere, zelfstandige uitgeverij.

Ik vond er een in Rotterdam, op nog geen tien minuten loopafstand van mijn kantoorbaan. Dit was uitgeverij Ad. Donker en ondanks de waarschuwing op hun website dat het ook bij hen maar zelden voorkwam dat een ongevraagde inzending uitgegeven werd kreeg 'Tegengif' een enthousiast onthaal. Door een externe redacteur werd er een leesrapport gemaakt en versie veertien en vijftien zagen het levenslicht. Toch werd er na alle aandacht besloten dat Ad. Donker 'Tegengif' niet zou uitgeven. De reden? Ze waren een zeer kleine uitgeverij die het geld en de middelen niet hadden om mijn debuut de promotie te geven die het nodig zou hebben om op te vallen in de enorme boekenstapel die ieder jaar verschijnt. 'Tegengif' zou hierdoor een ‘stil titeltje’ blijven en dat was niet de bedoeling. Ik werd doorverwezen naar een grote, bekende en commerciële uitgeverij in Amsterdam met genoeg budget voor een lekkere PR-campagne.

Deze uitgeverij liet weten interesse te hebben in 'Tegengif', maar dan moest er wel eerst het een en ander worden veranderd aan het verhaal. De voorgaande veranderingen waren vooral verbeteringen geweest, het aanscherpen van personages, schrappen van overbodige stukken tekst en het neutraliseren van een teveel aan Engelse woorden. De essentie van de roman bleef echter door alle versies heen hetzelfde. De kern, het plot, het hele verhaal bleef wat het was. En dat was goed, dat was hoe ik het wilde. Deze uitgeverij echter had besloten dat er een drastische verandering moest komen in mijn verhaal. Mijn hoofdpersoon moest een ‘loverboy’ tegenkomen, die haar vervolgens zou dwingen als prostituee te gaan werken. Dit zou het verhaal actueler maken waardoor de kans op succes groter was. Een loverboy paste echter totaal niet bij het verhaal dat ik met 'Tegengif' wilde vertellen en ik wist dan ook niet wat ik hoorde. Weg eigen idee, weg de roman die ik voor ogen had. Maar wél de kans om te debuteren bij een grote en bekende uitgeverij, iets waar veel mensen alleen maar van kunnen dromen.
Ik besloot het niet te doen. Want wat heb je eraan om te debuteren met een roman die jouw roman niet is? Een boek waar je hart niet in ligt? Het zou alle plezier wegnemen uit het hele gebeuren.

Intussen was er bijna een jaar verstreken sinds de eerste versie van 'Tegengif' en ik had nog steeds geen uitgever. Via Internet ging ik op zoek. Na mijn ervaring met de grote, commerciële uitgeverij uit de hoofdstad liet ik soortgelijke uitgevers wederom links liggen en kwam ik via Google terecht op de site van Uitgeverij Passage in Groningen. Een zelfstandige uitgeverij met een interessant en veelzijdig fonds. Ik had er een goed gevoel over en diezelfde dag nog ging 'Tegengif' op de post.

Anton Scheepstra van Uitgeverij Passage gaf aan enige interesse te hebben, maar was nog niet overtuigd. Op eigen initiatief schreef ik een paar nieuwe versies (zo werd het verhaal onder andere met bijna de helft dunner omdat ik een complete verhaallijn schrapte die bij nader inzien niet noodzakelijk bleek) en stuurde ik de herschreven versies steeds op naar Anton om het contact warm te houden. Zijn belangstelling groeide met iedere nieuwe versie. Toen versie achttien voltooid was had ik eindelijk het gevoel dat het de roman was die het moest zijn en ik liet het wederom lezen aan Anton. Kort hierna stuurde hij mij een e-mail waarin hij schreef de nieuwe versie ‘ademloos en in een ruk’ te hebben uitgelezen en hij stelde voor snel een afspraak te maken om de mogelijkheden te bespreken.
De datum voor deze langverwachte ontmoeting werd geprikt voor twee weken later.



Wordt vervolgd...

© Judith Visser.

MENU