![]() |
| COLUMNS |
| Show don't Tell: Op zoek naar een definitie |
|
Je hoort en leest de populistisch geworden term, Show Don’t Tell, haast in elk literair blaadje. Maar wat is er mee bedoeld? Wat is de kern van dit willig in de mond genomen citaat? Is het werkelijk vaak ‘de oplossing’, een remedie tegen het tell-virus? Wat meestal vooraf gaat. Een ‘stuk’ is vaak bezwangerd met woorden die een gevoelsmatig effect moeten oproepen; of liever, ze wíllen dit effect kant-en-klaar aanbieden. Geschild, gekookt, gesneden en indien gewenst, voorgekauwd. Ze willen gevoelens oproepen en ze reeds voorzien van reactie; je vertellen hoe je een bepaalde situatie moet beleven. Vaak is de objectieve inhoud overwoekerd door de stemming die het ding moet oproepen. Een voorbeeld; In de verte ruist de zee en in deze fluisterende stilte streelt de tedere wind de vele dorre bladeren met een ritselende aai. Slanke naaldbomen verrijzen als duistere, sprookjesachtige zuilen uit de witte egaalheid waarmee het strand zijn juistheid uit. In het midden van het strand lichten als witte suggesties de stenen figuren op van antieke beelden, en aan hun monumentale lijf zag men nog vaag de contouren van de tekeningen in hun weelderige gouden, zacht weerkaatsende omlijstingen. De schrijver probeert hier het gemoed van de lezer op een fysieke aard te laten bewegen, (de wind, de nacht, de zee, het aaien…) Toch heeft de schrijver van dit stuk geen vertrouwen in het losse woord om gevoelens op te roepen. Hij wantrouwt de lezer – denkt van deze te weten dat het nodig is hem te vertellen dat een boom slank en rijzend is; dat beelden van steen zijn… Dit zijn primaire beelden die in het hoofd van de lezer zitten. Een beeld is per definitie van steen, en een boom per definitie rijzend. Als dit niet zo zou zijn, als de beelden van papier waren, dan had de schrijver recht van spreken. De gevoelens worden omkleed en getooid met extra sierwoorden, opdat het basiseffect, mocht het verloren gaan, hernieuwd en gegarandeerd wordt. (merkt u het extra sierwoord in voorgaande zin?) Zo is de stilte waarin de zee ruist (om alle misverstanden te voorkomen) fluisterend. En de strelende wind is, als het al niet genoeg is dat hij ‘teder’ is, ook nog eens van dien zachte aard dat de dorre bladeren ritselen. Alles wordt herhaald en de herhaling wordt nog eens ondersteund om het gebeuren onmiskenbaar in de lezer te pompen. Het strelen gebeurt in een aaiende (?) beweging. Dit lijkt me een overdaad aan een techniek die prikkelversterkend zou moeten zijn. De ene prikkel ondersteunt de andere door onderschrijven en herhaling. Iedere losse prikkel die door redundantie en literaire voorgeschiedenis aan verval en verveling onderhevig is, loopt bovendien het gevaar aan kracht te verliezen en moet dus in een andere vorm opnieuw uitgevonden worden. Maar is het nodig dat in dergelijke overdaad te doen? Bovendien willen clichés wel eens zo klaar zijn als een klontje en is er in het geheel niets mis mee om de lezer een beeld van vertrouwen mee te geven. Merk verder hoe de gekozen werkwoorden (ruisen, fluisteren, strelen) de vloeibaarheid van de tekst proberen te garanderen, alsof de woorden op een stroom voorbij het oog komen, een stroom van vergankelijkheid en overdaad. Iedere fase in deze overdaad doet het voorgaande van het netvlies verdwijnen als een literaire bordveger. (Maar gelukkig wordt het in een volgende fase weer geïntegreerd.) Doel van dit gequoteerd stukje is niet om de lezer bij het avontuur van een actieve ontdekking te betrekken, maar hem eenvoudigweg met geweld een beeld in de strot te duwen en de feeëriekheid ervan onweerlegbaar te bewijzen. Dit met een hautaine veronderstelling dat in beschreven emotie het ultieme esthetische genot besloten ligt. Terwijl de betreffende lezer een roodgloeiende hekel kan hebben aan het strand en aanverwante. Moet gezegd worden dat er een zekere markt bestaat voor dergelijke licht verteerbare schrijfsels. Het beantwoordt aan de mentaliteit van het publiek dat in de waan leeft een oorspronkelijke veronderstelling van dat strand te aanschouwen. Dit terwijl de lezer in wezen gewoon geniet van een secundaire (bevooroordeelde) interpretatie van een primaire verbeeldingskracht zijnde die van de schrijver – hoewel deze primaire verbeeldingskracht ook wel in vraag mag worden gesteld bij sommige schrijvers. Kan men daarom esthetisch genot opvatten als de waardering voor de vorm waarin het effect wordt gerealiseerd? Ik kan een lekkernij vervaardigen met de meeste culinaire bekwaamheid, maar het is niet de vervaardiging die het kunst maakt, het is het hapje, het resultaat dat telt. Men geniet niet van de pure scheppingskracht maar gewoon van de smaak. Als ik de lezer nu vertel dat het stukje over de zee, pure kunst is. Dat het geschreven werd door een vooraanstaand schrijver (niet dat dit zo is) en de lezer het dan zonder vooroordelen kon lezen, zou hij dan een zelfde mening zijn toebedeeld als nu? Zou hij niet door het pure voorrecht een dergelijk stuk te mogen lezen, verblind zijn door de overvloedigheid van de beschrijvingen, en doof zijn voor de beelden die de schrijver aan ons opdringt als niet alleen zijn waarheid maar onze waarheid? Waarom zouden mijn beweringen dat dit stuk bewijst van literaire hoogmoed of van een literair monstrum, juist zijn? Ik bedoel maar ‘witte suggesties van stenen beelden…’ toch mooi gevonden – of niet? Twijfelt u? Evengoed kan u vinden - en niet enkel om het feit dat het stuk is geschreven door een mogelijks gewaardeerd schrijver, dat het u vervoert met zijn vloeiende woorden en de ‘ongekunstelde’ assonanties die de schrijver er instopte. Dus niet alleen linguïstische kenschetsen spelen een rol, ook de reden waarom de schrijver het schrijft, de argumentatie naar de lezer. Net zozeer als de manier waarop het lezerspubliek het benadert. Maar nog meer is het lezerpubliek belangrijk. Ze vormen de variabelen van de ‘definitie’ SDT. Wat is het wel? Show don’t tell is een levenshouding. Is een wel verdoken (op sluikse manier) tussenweg die wordt bewandeld door anonieme individuen met soms een eigen kijk, soms een wereldvreemdheid. Daarom dat SDT relatief is, een definitie die geen schrijver kan uitleggen omdat het niet wil bevat worden in de starre wiskundigheid van het woord: definitie. Sommigen beweren dat SDT het weglaten van informatie is. Dat is liegen, dat is geen SDT. Kan de schrijver bewust – omdat men in een boek afhangt van het woord – visuele informatie achterhouden, kan hij louter door suggestie een verhaal weven waarvan het plot genoodzaakt is te worden omvat in visuele informatie. Dan kan je beginnen met: Mike werd gepest op school… daar een boek over schrijven, zijn psychologische gemoed, de gevolgen, hoe ze hem pesten, en dan op het laatst vermelden dat Mike een zwarte is. Dan heb je inderdaad laten zien, en niet verteld dat hij zwart is. Kan je een verhaal vanuit het perspectief van een dier vertellen en pas op het laatste meedelen dat het hier geen mens maar een hond of kat betrof? Dat is achterhouden van informatie aan de lezer die leeft of sterft bij de gratie van visuele informatie. Enkele verzamelde definities van SDT SDT is de manier waarop uit iemands handelingen blijkt wat de gemoedstoestand is van betreffende. Dit is niet universeel toepasbaar. Handelingen zijn niet cultureel overspanbaar (denk maar aan oogcontact, boeren…) en daarom niet altijd juist. Bovendien is het vaak eenvoudiger en beknopter om gewoon op de man af te zeggen dat Piet jaloers is op Jan. Niet iedere lezer heeft hetzelfde beeld van jaloers zijn, iemand kan vlugger jaloers zijn dan een ander. SDT is onrechtstreeks iets beschrijven waardoor de lezer rechtstreeks een beeld kan vormen van het bedoelde. Hier heb je dan het voorbeeld van het strand. Hier liggen vele onrechtstreekse verwijzingen naar het feeërieke van het strand, naar de seizoensgebondenheid (ik vraag me af of het opgevallen was voor de lezer, want dat is het gevaar van SDT) en naar het onmogelijke van de situatie. Je kan natuurlijk door beelden op te roepen een zekere angst bij de lezer opwekken, waarmee je dan zogezegd via SDT de lezer ervan hebt overtuigd dat hij de beschreven situatie als zeer angstig moet beschouwen. In de verhalen van Poe is hier echter weinig van te vinden. Hij haalt vaak aan dat wat gebeurd onbeschrijfbaar is of niet te bevatten door woorden. Of dat zijn angsten in dien mate toenamen dat hij ze niet in woorden kan vervatten. SDT betekent dat er voor de lezer wat te raden overblijft. Over de motieven en de gevoelens van de protagonist(en). Deze definitie is in tegenspraak met de eerste definitie. Bovendien heeft het raadselachtige van een verhaal weinig te maken met SDT. Eerder met het verhaaltechnische en plotvorming. Ook is het aangehaalde voorbeeld van het dier als protagonist een jammerlijk voorbeeld van opgenoemde definitie. SDT is niets meer dan een bepaalde manier, een techniek van schrijven. Deze omschrijving, ik noem het geen definitie, lijkt me niet verdedigbaar. Je kan een stilistische manier van schrijven hebben, maar SDT is volgens alle voorgaande definities zeker geen manier van schrijven. Bovendien is ‘een manier’ of ‘een techniek’ niet overdraagbaar als definitie. Net als een bepaalde manier van schilderen de kubist wonderlijk lijkt, maar evengoed de simplist totaal niet kan behagen en een waarde die niet gelijk is voor iedereen, kan niet te pas en te onpas worden gebruikt als een term die op eenduidigheid berust. SDT is wanneer de handeling wordt getoond en niet als feit wordt verteld. Opnieuw, handelingen zijn niet universeel definieerbaar. SDT is wanneer de schrijver de lezer geen ruimte laat om zelf conclusies te trekken. Als voorbeeld wordt aangehaald dat men niet mag vertellen: ‘De man werd boos,’ maar: ‘Een dikke ader klopte op zijn voorhoofd.’ Nu zijn kloppende aders in dien mate veelgebruikt dat ze meer neigen naar het (indien het bestaat) tell gehalte van SDT, gewoon omdat het door de frequentie net als hij werd boos, een op de man af aangegeven emotie is. In dit geval is SDT niet enkel publieksafhankelijk maar ook nog eens tijdsonderhevig. Zweten is een manier om nervositeit aan te geven, een trillende onderlip voor verdriet. Maar zijn deze voorbeelden al niet in die mate uitgemolken dat men evengoed kan zeggen: ‘Hij heeft verdriet.’? Tot besluit Ik wil hier vertellen dat 'show don't tell' (hoewel ik de term op zich al vreselijk vind) niet als objectief kan worden gedefinieerd. Het is een subjectief gegeven en subjectiviteit is slechts onderhevig aan één definitie - het is ondefinieerbaar. Bovendien is de term op zich hol en inhoudsloos geworden. Iets dat niet onderhevig is aan een definitie kan ook niet aangeleerd worden met specifieke en afgelijnde methodes. Show don't tell is een relatieve uitvinding van schrijvers die vinden dat er iets mis is met een verhaal, maar niet kunnen duiden wat het juist is. In een afgebakende zone, met gekend publiek, gekende doelstelling en gekend resultaat, is het mogelijk een tekst te ‘onderwerpen’ aan de uitdrukking 'show don't tell', maar om deze regel te veralgemenen zijn er te veel variabelen die voor de criticus en veelal de schrijver niet vast staan. Vaak kunnen deze variabelen pas worden geduid met een waarde nadat het product (in dit geval het schrijfsel) uit de pen is gevloeid, en de uitkomst niet meer om te rekenen valt. Misschien dat we de SDT-regel als een soort na-definitie kunnen beschouwen, als alle gegevens bekend zijn. SDT omvat eerder een dualiteit van tegenover elkaar staande stijlen met al zijn tussenliggende waarde. Met aan de ene kant van de lijn Show en aan de andere kant Tell. Al naargelang het beoogde publiek moet de schrijver een positie innemen ergens op deze lijn. Mij lijkt het veeleer dat we als schrijver op ons gevoel moeten blijven vertrouwen zonder dat we hier een term voor gaan gebruiken. Een geoefend schrijver ervaart het als iets normaals, als iets dat vanzelf spreekt. We moeten ook niet teveel show aan de lezer verkopen, en af en toe een beetje meer tell, op het einde van de rit is wat we proberen toch om een verhaal te vertellen niet? © Benny Wouters |